Wat is aangeboren slechthorendheid?

Slechthorendheid is een hoorstoornis waarbij het gehoor licht tot zeer ernstig gestoord kan zijn. Als slechthorendheid aangeboren is, heeft dit invloed op de ontwikkeling van de taal en de spraak. Een kind leert door veel na te doen en te herhalen dat klanken betekenis hebben. Het leert zijn eigen klanken bij te sturen zodat die gaan lijken op de taal die het hoort; op deze manier leert het kind spreken.

Een slechthorende baby zal niet of nauwelijks reageren op zijn eigen gebrabbel en op de klanken uit zijn omgeving. Hij leert de betekenis van geluiden en spraak onvoldoende herkennen. Een achterstand in het begrijpen van taal en het leren spreken is het gevolg. Deze achterstand kan ook op volwassen leeftijd nog bestaan.

Het is belangrijk om zo vroeg mogelijk te ontdekken dat een kind slechthorend is. De huisarts zal het kind naar de kno-arts verwijzen, eventueel volgt onderzoek in een audiologisch centrum.

Wat doet de logopedist?

De logopedist is de aangewezen persoon om te onderzoeken of en hoe groot de taal- en spraakachterstand bij kinderen is. Zowel het begrijpen als het uiten van taal wordt onderzocht. In de logopedische behandeling wordt aandacht besteed aan het verminderen van de taalachterstand, het aanleren van een goede uitspraak, het geven van specifieke hoortraining en het leren spraakafzien (liplezen). Dit gebeurt zoveel mogelijk in een spelsituatie.

De logopedist begeleidt de ouders, leert zonodig omgaan met een hoortoestel en adviseert bij andere technische hulpmiddelen voor slechthorenden. In het algemeen wordt met logopedische behandeling de achterstand ingelopen. Bij ernstige slechthorendheid kan verwijzing naar een school voor slechthorende kinderen nodig zijn.

Bij volwassenen met een aangeboren slechthorendheid zal de behandeling zich vooral richten op (hernieuwde) aandacht voor de uitspraak en spraakafzien.

Verworven slechthorendheid?

Slechthorendheid is een hoorstoornis waarbij het gehoor licht tot ernstig gestoord kan zijn. Slechthorendheid kan aangeboren zijn, maar ook op latere leeftijd verworven worden. Aangeboren slechthorendheid heeft invloed op de ontwikkeling van de taal en de spraak. Bij verworven slechthorendheid die na de eerste levensjaren ontstaat is dit minder het geval.

Slechthorendheid kan veroorzaakt worden door een ongeval, door een infectieziekte of door het gebruik van bepaalde medicijnen. Een andere oorzaak is lawaaibeschadiging. Hierbij is de werksituatie van grote invloed (denk aan een metaalfabriek of zagerij), maar ook het geregeld blootstaan aan zeer harde geluiden (bijvoorbeeld op een schietbaan, in een muziekband of discotheek). Bij het ouder worden is slijtage van het binnenoor de grootste oorzaak van het slechter horen, de zogenaamde ouderdomsslechthorendheid.

Als gevolg van de slechthorendheid ontstaan er problemen: de deurbel en de telefoon worden minder goed gehoord. Muziek klinkt vaak vervormd. Het onderling contact (de communicatie) wordt verstoord omdat spraak niet goed verstaan wordt, zeker als er in een lawaaiige omgeving gesproken wordt. Een slechthorende kan zich hierdoor zeer buitengesloten voelen.

Bij slechthorendheid zal de huisarts naar de kno-arts verwijzen voor een gehoortest; eventueel volgt onderzoek in een audiologisch centrum.

Wat doet de logopedist?

De logopedist kan gehooronderzoek doen en zonodig adviseren over het aanpassen van een hoortoestel. De logopedist begeleidt de slechthorende en zijn omgeving bij het leren omgaan met een hoortoestel en adviseert bij andere technische hulpmiddelen.
Een hoortoestel lost echter niet alle problemen op. De logopedische behandeling is er daarom op gericht de communicatie zoveel mogelijk te herstellen. Leren spraakafzien (liplezen) kan belangrijk zijn; oefenen in groepsverband is hierbij zeer zinvol.

Wat betekent een middenoorontsteking?

Middenoorontstekingen die gepaard gaan met vocht in het middenoor kunnen slechthorendheid veroorzaken. De grootte van het gehoorverlies wordt vooral bepaald door de mate van vochtophoping in het middenoor. Het gehoorverlies is licht tot matig van aard (tussen 0 en 50 dB) en bedraagt gemiddeld 20 dB.

Middenoorontstekingen komen bij jonge kinderen veel voor; na 5 a 6 weken zijn de klachten meestal voorbij en het kind hoort weer goed. 
Kinderen die in de eerste levensjaren regelmatig middenoorproblemen met gehoorverliezen hebben, kunnen problemen krijgen in de spraak- en taalontwikkeling. Een kind leert de spraak en taal immers door het luisteren naar zijn omgeving en door het imiteren van het voorbeeld dat zijn omgeving aanbiedt. Door het verminderde gehoor is het kind hiertoe onvoldoende in staat. In de spraak vallen dan vooral uitspraakproblemen op. In de taal kunnen woordenschat en zinsbouw zich minder goed ontwikkelen.

Wisselende gehoorverliezen kunnen op school de leerprestaties negatief beïnvloeden. En doordat het kind zich steeds moet inspannen om goed te horen, kunnen ook gedragsproblemen optreden.

Een medische ingreep, zoals het plaatsen van middenoorbuisjes (trommelvliesbuisjes), kan bij kinderen met een vaak terugkerende middenoorontsteking noodzakelijk zijn. De kno-arts verricht deze ingreep.

Wat doet de logopedist?

Als het gehoor zich herstelt, blijkt dat de achterstand in spraak- en taalontwikkeling in de regel ook ingehaald wordt. Dit inhalen neemt wel kostbare tijd in beslag. Bovendien kunnen, als het middenoor vaak ontstoken raakt, de spraak- en taalproblemen groter worden. Logopedische therapie is dan van belang, ook om leermoeilijkheden op schoolleeftijd te voorkomen.

In de logopedische behandeling worden zowel het luisteren als de spraak en de taal getraind. Dit gebeurt zoveel mogelijk in een spelsituatie. Het ademen door de neus is belangrijk voor een juiste functie van het middenoor. Indien nodig leert de logopedist het kind door de neus te ademen.